Onderzoek- en saneringstraject

Onderzoek

In een oriënterend bodemonderzoek (OBO) wordt de bodemkwaliteit op een perceel onderzocht. De bodemsaneringsdeskundige neemt in de eerste plaats bodem- en grondwaterstalen ter hoogte van de risicozones. Dat zijn bijvoorbeeld opslagtanks en productiezones. Hij neemt ook stalen in de niet-risicozones. Zo krijgt hij een beeld van het volledige perceel.

Als blijkt dat er een verontreiniging aanwezig is, volgt een beschrijvend bodemonderzoek (BBO). Daarin wordt de verontreiniging driedimensionaal in kaart gebracht en wordt nagegaan of sanering noodzakelijk is. Een evaluatie van de risico's bepaalt of voor de bodemverontreiniging een sanering nodig is. Wanneer de mogelijkheid op verspreiding van de bodemverontreiniging bestaat of van zodra er gevaar voor mensen, planten, dieren, grond- en oppervlaktewater is, dan spreekt men over 'ernstige bedreiging'. Dit geldt als saneringscriterium voor historische bodemverontreinigingen. Bij nieuwe bodemverontreiniging moet men in principe al overgaan tot sanering wanneer de bodemsaneringsnormen overschreden zijn. Afhankelijk van de uitkomst van de risico-evaluatie worden voorzorgsmaatregelen getroffen en wordt de urgentie  van de sanering ingeschat. Het rapport van oriënterend en beschrijvend kunnen als één rapport worden opgemaakt zijnde een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek (OBBO).

Sanering

Een bodemsaneringsproject (BSP) vergelijkt verschillende saneringstechnieken met elkaar. Daarbij wordt rekening gehouden met criteria als efficiëntie, kostprijs en technische mogelijkheden op de site. Zo zijn gebouwen op de site of bijvoorbeeld de aard van de ondergrond (zand, leem, klei) een beperkende factor. Op basis van alle criteria wordt een techniek geselecteerd die BATNEEC is. Dit is de best beschikbare techniek tegen een redelijke kostprijs. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de duurzaamheid.
Het beheersen of opvolgen van verontreinigingen kunnen onder bepaalde voorwaarden worden voorzien in een (gefaseerd) BSP.  Het apart benaderen via een risicobeheersplan is sinds 2015 niet meer mogelijk.

De OVAM-goedkeuring van het bodemsaneringsproject, het zogenaamde 'conformiteitsattest', geldt als vergunning voor het uitvoeren van de bodemsaneringswerken (BSW). De vordering van deze werken rapporteert men via tussentijdse rapporten (TTR). Bij afronding van de werken, levert de OVAM op basis van het eindevaluatie-onderzoek (EEO) een eindverklaring af. In een beperkt aantal gevallen is er nog een opvolging nodig onder de vorm van 'nazorg'.