Verstuur deze pagina

:

:

:

:

:

:

*: Gelieve alle velden in te vullen

Biomassa

Inventaris biomassa 2011-2012

Dankzij het afval- en materialenbeleid worden de meeste biomassa-afvalstromen van huishoudens en biomassa-verwerkende bedrijven selectief ingezameld. Ten opzichte van de vorige inventaris in 2008-2009 zien we in kwantiteit niet zo’n grote stijgingen meer. Een aantal stromen, waaronder maaisel en organisch-biologisch afval van de voedingsindustrie, zijn beter in kaart gebracht, wat leidt tot een aanpassing van de hoeveelheden.

Stromen, zoals korte omloophout, bermmaaisel, teelten op verontreinigde gronden, die als potentieel beschouwd werden in 2008-2009 blijven vaak in het stadium van onderzoeks- of pilootprojecten.

Een goed uitgebouwde haveninfrastructuur zorgt voor een verdere toename in aanvoer van biomassastromen richting voeding, veevoeding, materialen en energie in Vlaanderen.

De biomassamarkt is volop in beweging. Traditioneel zijn de landbouw-, voeding- en veevoedingssector de grootste afnemers van biomassa. Vraag en aanbod van bepaalde biomassa-(afval)stromen worden in toenemende mate beïnvloed door de evolutie in de fossiele brandstoffen/olieprijs en de wijzigende stimuleringsmaatregelen vanuit het energiebeleid. De zoektocht van bepaalde sectoren waaronder de chemie naar vervanging van fossiele grondstoffen wordt merkbaar. Ook het afval- en materialen- en mestbeleid heeft gezorgd voor een verdere uitbouw van de logistiek en verwerkingsinfrastructuur in Vlaanderen in de periode 2009-2012, zowel op het vlak van vergisting als verbranding. Wettelijke bepalingen, waaronder de verbrandingsverboden, beïnvloeden mee de bestemming alsook de regio van bestemming. Voor dierlijk afval spelen de zeer strikte bepalingen van de Europese wetgeving betreffende dierlijke bijproducten. Mede dankzij de hoge marktprijzen voor dierlijk eiwit en vet wordt dierlijk afval zo optimaal mogelijk in de markt gevaloriseerd en milieuhygiënisch beheerd.

Anderzijds wordt bijv. het grootste deel van de ingezamelde GFVO nog steeds uitgevoerd naar omringende landen voor de productie van biodiesel. Het gebruik van biodiesel in de transportsector, net als het gebruik van biobrandstoffen in stationaire motoren is nog niet echt doorgebroken in Vlaanderen.

Vastgesteld wordt uit de huidig beschikbare gegevens, dat de invulling voor groene stroomproductie vanuit de vaste biomassa steeds meer wordt ingevuld door een hogere import van houtpellets, ten koste van bepaalde houtafvalsoorten.

In het algemeen wordt door het toepassen van de verbrandingsverboden en de advisering van de OVAM in het kader van groenestroomcertificaten de recycleerbare biomassa relatief goed uit de Vlaamse verbrandingsinstallaties gehouden. De uitzonderingen in het verbrandingsverbod en de druk op vaste biomassa zorgen echter voor een afleiding van recycleerbare stromen naar verbranding. Dit is vooral het geval voor houtige biomassa (postconsumer houtafval en houtig groenafval).

In het geval van postconsumer houtafval kan een aanzienlijk deel dat nu verbrand wordt, via selectieve inzameling (bv. verpakkingshout) of voorbehandeling (manueel of automatisch sorteren van niet recycleerbare houtfracties) probleemloos worden ingezet in de spaanplaatproductie. Het is vooral om economische redenen dat dit houtafval niet naar recyclage gaat. Sortering is te duur in vergelijking met de meeropbrengst door afvoer naar energetische valorisatie. Exacte gegevens over de samenstelling van postconsumer houtafval zijn er niet, maar gelet op de stand van de techniek inzake voorbehandeling en recyclage zal het aandeel recycleerbare houtfracties niet over enkel procenten gaan, maar eerder over tientallen procenten.

Houtig groenafval kan in theorie steeds voor 100% worden gerecycleerd via composteringsprocessen of rechtstreeks hergebruik. Binnen de beleidscontext van het verwerken van groenafval zal via het SYNECO project worden bepaald hoeveel houtig materiaal er noodzakelijk is om uit het in Vlaanderen geproduceerde groen- en gft-afval een kwaliteitsvol eindproduct te produceren via compostering/vergisting. Als er dan een surplus aan houtig materiaal overblijft, kan dit – afhankelijk van de kwaliteit – worden toegepast voor anderen doeleinden (energie, biobrandstof, chemie, ...).

Talrijke onderzoeksprojecten focussen op de schaars beschikbare biomassastromen met het oog op een zo goed mogelijke (geïntegreerde) valorisatie (bijv. combinatie materiaal-energie) of vervanging van fossiele grondstoffen. Ook de opschoning van biogas tot aardgas of biobrandstof, is in verder onderzoek.

Gebruik van organische nevenstromen van de voedingsindustrie als diervoeder

Veel organische nevenstromen van de voedingsindustrie worden al eeuwenlang ingezet als veevoeding. Het gebruik als veevoeder is dan ook een zeer belangrijke recuperatievorm. Uiteraard dient deze vorm van recyclage steeds kwaliteitsvol te verlopen om eventuele risico’s te voorkomen. Het statuut (afvalstof/grondstof) van deze nevenstromen is afhankelijk van de bestemming.

Met de kaderrichtlijn afval (2009/98/EG) werd het begrip bijproduct in de wetgeving verankerd. In 2012 werd de kaderrichtlijn omgezet in het nieuwe materialendecreet. Artikel 37 van het materialendecreet definieert bijproducten als volgt: stoffen of voorwerpen die het resultaat zijn van een productieproces dat niet in de eerste plaats op het vervaardigen van die stoffen gericht is, en die voldoen aan volgende voorwaarden:
  • het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;
  • de stof of het voorwerp kan rechtstreeks worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is;
  • de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces;
  • verder gebruik is rechtmatig, m.a.w. de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften voor producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.
Bijproducten zijn producten en dus geen afval.

Bijproducten met bestemming diervoeder moeten voldoen aan de voorwaarden van de federale wetgeving betreffende de handel en het gebruik van stoffen, bestemd voor dierlijke voeding en alle andere relevante wetgeving.

De organische nevenstromen van de voedingsindustrie kunnen met het oog op diervoeding in twee categorieën onderverdeeld worden: enerzijds nevenstromen die direct geschikt zijn om vervoederd te kunnen worden en anderzijds nevenstromen die geschikt gemaakt moeten worden. De eerste categorie, zoals draf en aardappelbijproducten zijn bijproducten. De tweede categorie zijn afvalstoffen, die het statuut grondstof (einde afval) krijgen indien ze geschikt gemaakt zijn en voldoen aan de voorwaarden voor vervoedering.

Het “geschikt maken” is een afvalstoffenverwerking en tot op het moment dat de nevenstroom “geschikt” is, valt deze onder de afvalstoffenwetgeving. Het geschikt maken omvat handelingen als ontpakken en hygiëniseren. Op het moment dat deze stromen geschikt en bestemd zijn om te worden vervoederd zijn het geen afvalstoffen meer.

Vanuit voedselveiligheid moet de nodige aandacht besteed worden aan het correct opslaan, vervoeren en verwerken van deze stromen. De kwaliteit moet doorheen de volledige keten bewaard en bewaakt worden. De betrokken actoren zijn hiervoor verantwoordelijk. Deze stromen komen uiteindelijk immers in de voedselketen terecht.

Voor het uitvoeren van controles op de milieuvergunningsvoorwaarden, in het bijzonder de aspecten verbonden met het “geschikt maken”, het aanleveren en afvoeren van afvalstoffen, is de afdeling Milieu-inspectie van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie bevoegd. De controle op het al dan niet “geschikt zijn” van de nevenstromen behoort tot de bevoegdheid van het FAVV.