In een oriënterend bodemonderzoek wordt de bodemkwaliteit op een gans perceel onderzocht. De bodemdeskundige neemt in de eerste plaats bodem- en grondwaterstalen ter hoogte van de risicozones. Dat zijn bijvoorbeeld opslagtanks, productiezones enz... Hij neemt ook stalen in de niet-risicozones. Zo krijgt hij een beeld van het volledige perceel. Het aantal stalen is afhankelijk van het aantal risicozones en van de grootte van het perceel.
Als blijkt dat er een verontreiniging aanwezig is volgt een beschrijvend bodemonderzoek. Daarin wordt de verontreiniging driedimensionaal in kaart gebracht en wordt nagegaan of sanering noodzakelijk is. Een degelijk beschrijvend bodemonderzoek is cruciaal om daarna een kwaliteitsvol en efficiënt saneringsproject op te stellen.
In een bodemsaneringsproject worden verschillende saneringstechnieken met elkaar vergeleken. Daarbij wordt rekening gehouden met criteria als efficiëntie, kostprijs en technische mogelijkheden op de site. Zo kunnen gebouwen op de site of bijvoorbeeld de aard van de ondergrond een beperkende factor zijn. Een techniek die goed werkt in de zandige Kempen kan in de meer lemige Zalmstreek bijvoorbeeld compleet mislukken.
Op basis van alle criteria wordt dan een techniek geselecteerd die BATNEEC is. Dit is de Best beschikbare techniek tegen een redelijke kostprijs.
In geval van een historische verontreiniging kan bij de OVAM een verzoek worden ingediend tot risicobeheer. De verplichting tot het uitvoeren van een bodemsaneringsproject wordt dan voor onbepaalde duur geschorst. De OVAM kan in sommige gevallen die schorsing weer opheffen.