koeien

Evolutie

De productie van dierlijk afval is inherent aan het consumeren van vlees en vleeswaren door de mens. Jaarlijks consumeren we in Vlaanderen miljoenen kippen, varkens, runderen en andere slachtdieren. Van elk geslacht dier is er een groot deel slachtbijproducten dat niet bestemd is voor menselijke consumptie. Om de bevolking van vlees te voorzien, wordt in Vlaanderen nog steeds op grote schaal vee geteeld. Op de veehouderijen, bedrijven en boerderijen sterven dagelijks dieren, waarvan de kadavers om sanitaire redenen moeten vernietigd worden.

De slachtbijproducten vormen samen met de kadavers het dierlijke afval dat in de verwerkingsbedrijven terecht komt. Een deel van dit afval wordt verwerkt tot grondstoffen voor de veevoeder-, petfood- en meststoffenindustrie, tot technische producten of biogas. Het grootste deel wordt echter verbrand.

Dierlijk afval en de verwerking ervan veroorzaken een aanzienlijke impact op het leefmilieu. Dat is enerzijds te wijten aan de omvang van de dierlijke afvalberg, anderzijds aan de verwerking ervan.

In Vlaanderen komt jaarlijks ca. 500.000 ton dierlijk afval vrij en wordt zo'n 170.000 ton diermeel en 105.000 ton dierlijk vet geproduceerd. Deze hoeveelheid is min of meer constant. Het is met andere woorden niet te verwachten dat de hoeveelheid dierlijk afval de komende jaren om één of andere reden plots gaat stijgen, tenzij ten gevolge van een crisis, of dalen. Preventie-inspanningen om de hoeveelheid dierlijk afval te verminderen, zullen dus naar verwachting een beperkt resultaat opleveren.

Bovendien zijn de mogelijkheden voor hergebruik in toepassingen als droge petfood, bodemverbeteraars en meststoffen beperkt wegens een verzadiging van de markt.

Een groot deel van het dierlijk afval wordt om sanitaire redenen (volksgezondheid) en veterinaire redenen (dierengezondheid) vernietigd door verbranding. In heel Europa is immers een verbod van kracht om diermeel te gebruiken in veevoeding: de zogenaamde feed-ban. Verbranding is dan ook de enige bestemming die er momenteel voor dit diermeel overblijft. Of en wanneer deze 'feed-ban' (geheel of gedeeltelijk voor bepaalde types dierlijk bijproducten) zal ingetrokken worden - met eventueel terug toepassingsmogelijkheden voor diermeel in veevoeding - is niet meteen duidelijk. Het vervoederverbod voor diermeel is zeker nog tot 1 juli 2007 van kracht (situatie medio 2005).

De impact van de verwerking van dierlijk afval kan wel verlaagd worden door de verwerking milieuvriendelijker, bijvoorbeeld energie-efficiënter, te laten verlopen. Voor de (nabije) toekomst liggen er mogelijkheden voor validatie van dierlijk afval in de productie van biodiesel en biogas.

a. Crisissen

Dioxinecrisis
In 1999 en 2000 verhoogde de fractie te vernietigen dierlijk afval in Vlaanderen drastisch door het uitbreken van de dioxinecrisis. De eerste tekenen van de dioxinecrisis in België verschenen in februari 1999 in de vorm van een episode van intoxicatie in verschillende kippenkwekerijen. De ontdekking van zeer hoge concentraties dioxinen, zowel in het kippenvoer als in de weefsels en eieren van de gecontamineerde dieren bevestigde de hypothese van een dioxinecontaminatie.
Aan het einde van de maand april 1999 werd via onderzoek vastgesteld dat de dioxinen afkomstig waren uit een voorraad gerecycleerd vet die werd geleverd aan een voederfabrikant midden januari 1999. Er werd daarbij een nauw verband aangetoond tussen de hoeveelheden dioxinen (PCDF's/PCDD's) en die van PCB's. De bron van de besmetting was afkomstig van een arochlormengsel (vermoedelijk Arochlor 1260) met de commerciële benaming "Askarel".
Uit de uitgevoerde enquête blijkt dat hierdoor vermoedelijk een hoeveelheid van ongeveer 50 kg PCB's en een kleine hoeveelheid furanen (ongeveer 1 g) en TCDD (ongeveer 50 mg) via de toegeleverde "dierlijke" vetten in de voederketen zouden zijn terechtgekomen. Later is er een bijkomende contaminatie opgetreden via een afgeleide bron. De oorzaak hiervan lag bij het vernietigen van besmette kuikens door het bedrijf Rendac, dat de vetten vervolgens opnieuw in de voedselketen (veevoeder) introduceerde.
Door het uitbreken van deze crisis zag men zich genoodzaakt 66.248 ton vlees van pluimvee
(6.055.600 stuks) en varkens (201.300 stuks) en daarvan afkomstige producten (353 ton) in beslag te nemen en te vernietigen. Om laatstgenoemde producten te vernietigen werd een vernietigings- en verbrandingssysteem opgezet. Het in beslag genomen vlees, daarentegen, werd verwerkt tot
29 722 ton diermeel dat, omwille van de geringe verbrandingscapaciteit in België, tijdelijk werd opgeslagen in een loods. Het opgeslagen diermeel werd van daaruit in verzegelde vrachten voor vernietiging weggevoerd naar de cementindustrie. De hele operatie werd afgerond in 2001.

BSE-crisis
In december 2000 werden een heleboel drastische maatregelen genomen om de verspreiding van BSE (boviene spongiforme encefalopathie) tegen te gaan, met als gevolg dat de te vernietigen fractie dierlijk afval opeens steeg tot ca. 40% van het totaal. BSE wordt gerekend tot de overdraagbare spongiforme encefalopathieën (OSE's of TSE's); dit zijn aandoeningen van de hersenen, die gekenmerkt zijn door een degeneratie (ontaarding) van zenuwcellen, waardoor ze onder de microscoop een spongiform (sponsachtig) uitzicht krijgen. De ziekten worden veroorzaakt door de mutatie van een eiwit in de zenuwcellen in een abnormale vorm, een prion genoemd. Bij mens en dier zijn verscheidene overdraagbare spongiforme encefalopathieën gekend. De meest bekende zijn het Creutzfeld-Jacob syndroom bij de mens, boviene spongiforme encefalopathie bij het rund (BSE) en scrapie bij het schaap. De ziekte veroorzaakt na een lange incubatieperiode (dit is de periode tussen de besmetting en het optreden van de eerste symptomen) geleidelijk verergerende bewegings- en gedragsstoornissen die na een ziekteperiode van maanden bij een dier, tot een tweetal jaren voor de menselijke vorm, met de dood eindigt.

Om de verspreiding van deze ziekte tegen te gaan werd enerzijds vanaf 15 december 2000 een algemeen verbod op het gebruik van diermeel in dierenvoeding ingevoerd (voordien werd enkel categorie 1-, en 2-materiaal en GRM geweerd uit de dierenvoeding; nu diende men ook voor het categorie 3-meel een andere bestemming te vinden). Hierdoor werd een zeer ernstig afzetprobleem gecreëerd, daar de nog toelaatbare afzetmogelijkheden een beperkte capaciteit hadden. De Vlaamse overheid eiste dan ook onmiddellijk een loods op om de diermelen te stockeren, zodat de verdere ophaling en verwerking van dierlijk afval op een veilige en milieuhygiënische manier gewaarborgd kon worden. In de eerste helft van 2001 werd ten gevolge van het algemeen verbod reeds 35.000 ton opgeslagen. Deze hoeveelheid werd verbrand. De huidige verbodsbepaling inzake het vervoederen van dierlijke eiwitten zal nog minstens tot 2007 (Verordening (EG) Nr. 932/2005) gehandhaafd blijven.

Naast het algemeen verbod op het gebruik van diermelen werd vanaf 1 januari 2001 de verplichting opgelegd om alle runderen die ouder zijn dan 30 maanden te testen op BSE. Aangezien in België op dat ogenblik niet genoeg testcapaciteit voorhanden was, werd een alternatieve regeling gebruikt: de opkoopregeling. Niet-geteste runderen, ouder dan 30 maanden, konden aangeboden worden ter vernietiging.

Verder werd in 2001 ter voorkoming van de verspreiding van BSE de lijst van GRM-materialen uitgebreid. Door deze maatregel, en door de verwerking van krengen en runderen uit de opkoopregeling, werd in 2001 81.800 ton diermeel vernietigd in de cementindustrie.

Sinds 2000 worden alle runderen ouder dan 30 maanden door het FAVV in het slachthuis getest op BSE. Alle andere gestorven runderen die ouder zijn dan 24 maanden worden bij de verwerker getest op BSE. In 2003 werden zo 118 gevallen van BSE geregistreerd.

Mond- en klauwzeer
In maart 2001 kreeg het Verenigd Koninkrijk af te rekenen met een ernstige epidemie van mond- en klauwzeer, wellicht veroorzaakt door het gebruik van onbehandeld keukenafval. Mond- en klauwzeer is een acute virale besmettelijke ziekte met als kenmerken: koorts, aften of blaasjes op de muil (tong, tandvlees, lippen) en op de poten (tussenklauwspleet, kroonranden) van gevoelige diersoorten. Aften kunnen ook voorkomen op de neusgaten, de snuit en de spenen. Bij het openbreken van de aften kunnen zweren ontstaan. Meestal genezen de volwassen dieren van de ziekte maar deze genezing gaat dikwijls gepaard met een productieverlaging. Daarenboven kunnen de dieren drager worden van het virus. De jonge dieren kunnen sterven door de ziekte. Het is een van de meest besmettelijke dierenziekten; ze verspreidt zich zeer vlug als er geen controle is. Ze tast praktisch alle dieren van de kudde aan. Runderen, varkens, schapen en geiten zijn gevoelig, ook andere wilde en tamme tweehoevigen en olifanten, egels en ratten kunnen aangetast worden. De mens is niet gevoelig voor de ziekte, evenmin als paarden, honden, katten en pluimvee.
Om België te vrijwaren van het mond- en klauwzeervirus werd geopteerd voor de preventieve slachting van risicohoudende diergroepen in risicogebieden. In totaal werden ca. 6.500 dieren (310 ton) geslacht en verwerkt tot diermeel. Dit laatste werd verbrand in de cementindustrie.

De afbouw van de mogelijkheid tot recyclage van dierlijk afval maakt dat momenteel het leeuwendeel van het dierlijk afval na verwerking verbrand moet worden. Dierlijke vetten afkomstig van categorie 3-materiaal kunnen nog wel gecommercialiseerd worden als veevoeder; verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van categorie 3-materiaal kunnen aangewend worden als meststof of petfood. Onverwerkt categorie 3-materiaal mag gebruikt worden als petfood of voor vervoedering aan dieren die niet gehouden worden voor menselijke consumptie (bijv. circus-, dierentuin-, pelsdieren,...). Voor het laatstgenoemde gebruik van dierlijk afval is een individuele toelating van de OVAM vereist.

Klassieke Vogelpest
Nederland en de provincies Antwerpen en Limburg werden in 2003 geconfronteerd met een uitbraak van het vogelpestvirus, waarbij een groot aantal pluimveebedrijven ontruimd werden.
Aviaire Influenza of vogelpest is een zeer besmettelijke virusziekte waarvoor veel vogelsoorten gevoelig zijn. Besmetting van pluimvee kan plaatsvinden via direct contact met zieke dieren, door blootstelling aan besmet materiaal, zelfs via de lucht is indirecte besmetting mogelijk. Bij de mens kunnen deze virussen bij intensief contact leiden tot ziekteverschijnselen als griep en longontsteking. Vaccinatie met het gangbare griepvaccin biedt voldoende bescherming.

Varkenspest
Varkenspest is een zeer besmettelijke virusziekte die tot hoge sterftecijfers bij varkens en everzwijnen leidt. Besmette everzwijnen zorgden in 2003 voor de verspreiding van het varkenspestvirus in grote delen van Duitsland en het Groot-Hertogdom Luxemburg. Het varkenspestvirus is niet gevaarlijk voor de mens.

Bleutongue
Bluetongue, ook bekend als blauwtong, is een virusziekte die voornamelijk voorkomt bij schapen. De ziekte is genoemd naar een van de symptomen die als gevolg van deze ziekte kan optreden, namelijk de blauwe tong die dieren kunnen krijgen. Naast schapen kunnen ook rundvee, geiten, dromedarissen, buffels en wilde herkauwers besmet worden met het bluetonguevirus. Bluetongue is niet overdraagbaar op mensen en vormt dus geen bedreiging voor de mens.

Binnen Europa komt de ziekte voor in Spanje, Griekenland en Italië. In augustus 2006 is er ook een uitbraak in Nederland, België en Duitsland. Op 17 augustus 2006 werd bekend gemaakt dat in het Nederlandse Kerkrade een bedrijf met schapen besmet werd met Bluetongue. De ziekte werd reeds op 19 augustus 2006 vastgesteld in België, bij schapen en runderen in de provincie Luik en in de Voerstreek.

Normaliter komt Bleutongue voornamelijk voor in gebieden rond de evenaar. Met het opwarmen van de aarde neemt het verspreidingsgebeid van de ziekte echter toe. Vermoedelijk zal de ziekte zich niet permanent in onze contreien vestigen omdat de vector C. Imicola, de veroorzaker van de ziekte, de koude winters in Nederland en België niet kan overleven. De ziekte wordt daarom niet actief bestreden, maar probeert men de uitbraak binnen de perken te houden.

b. Bestemmingsmogelijkheden

Vroeger werd het grootste deel van het dierlijk afval nuttig toegepast via de verwerkingsbedrijven van  dierlijk materiaal en de producenten van voeder voor gezelschapsdieren en technische en farmaceutische producten.

Vóór 1998 kon 100 % van de hoeveelheden diermeel en dierlijk vet gebruikt worden bij de productie van diervoeders, petfood, meststoffen en andere. In 1998 werd in België echter beslist om het gespecificeerd risicomateriaal (GRM; d.i. delen van runderen, schapen en geiten; ca. 0,76 % van het totaal tonnage) te weren uit de voedselketen omwille van het BSE-risico. Vanaf juni 1999 werd omwille van de vernietiging van dioxineverdachte materialen ook het hoog-risicomateriaal (HRM; d.i. dode dieren (krengen), bedorven vlees,...) vernietigd. Hierdoor daalde het valoriseerbaar deel dierlijk afval op dat moment tot ca. 90 %.

Het grootste deel van het dierlijk afval ondergaat een thermische behandeling waarna diermeel, vetten en water kunnen worden onderscheiden.

Dierlijk vet en diermeel afkomstig van categorie 1-materiaal wordt verbrand in cementovens, elektriciteitscentrales stookinstallaties, verbrandingsinstallaties,...

Dierlijk vet geproduceerd uitgaande van categorie 2-materiaal kan aangewend worden in de oleochemische industrie. Diermeel afkomstig van categorie 2-materiaal kan daarnaast als bodemverbeterend middel gebruikt worden. Omdat in Vlaanderen categorie 2-materiaal meestal samen met categorie 1-materiaal verwerkt wordt, wordt het resulterende diermeel en vet beschouwd als categorie 1-materiaal en wordt bijgevolg het grootste deel van het categorie 2 vet en meel zoals het dierlijk vet van categorie 1-materiaal verbrand in cementovens, elektriciteitscentrales stookinstallaties, verbrandingsinstallaties,...

Het vet afkomstig van categorie 3-materiaal wordt gebruikt in de veevoeder- en petfoodindustrie en kent ook oleochemische toepassingen. Het categorie 3-diermeel kan worden ingezet in de petfoodindustrie en kan gebruikt worden als meststof en in bodemverbeterend middelen. Categorie 3-diermeel kan verbrand worden in cementovens, elektriciteitscentrales stookinstallaties, verbrandingsinstallaties,... Voor dierlijk vet afkomstig van categorie 3-materiaal bestaat een verbrandingsverbod (VLAREA).

Verder kan ruw dierlijk afval van categorie 1, 2 of 3, mits uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit, nog gebruikt worden voor vervoedering aan bepaalde dieren die niet gehouden worden voor menselijke consumptie en voor educatieve en onderzoeksdoeleinden.

Een kleine fractie van het categorie 1-materiaal, namelijk dode gezelschapsdieren, kunnen onder bepaalde voorwaarden begraven worden.