Datakwaliteit Gemeentelijke Inventaris: schrappen van risicogronden

De gemeente beschikt over terreinkennis en blijft de eindverantwoordelijke van de gemeentelijke inventaris. Voor het schrappen van een onterecht geïnventariseerde risicogrond is een code van goede praktijk beschikbaar.

Opmaak inventaris van risicogronden

De kwalificatie als risicogrond heeft een grote impact op alle betrokkenen. Vooral in het kader van de overdracht van gronden zijn alle belanghebbenden (overdragers, verwervers, notarissen en de OVAM) afhankelijk van de kwaliteit en betrouwbaarheid van de informatie over risicogronden die door de gemeenten zijn opgenomen in de gemeentelijke inventaris .

Het zijn de werkelijke activiteiten die bepalen of een perceel een risicogrond is. Vaak beschikt de gemeente in eerste instantie enkel over de gegevens uit omgevings-/milieuvergunningen, inventarisatiestudies of oudere archiefgegevens.

Het is voor de gemeente niet altijd eenvoudig te bepalen of er daadwerkelijk risico-activiteiten aanwezig waren.  Het gebeurt dat vergunde rubrieken niet (meer) overeenstemmen met de werkelijke exploitatie of dat de vergunde activiteiten nooit hebben  plaatsgevonden. De vergunde rubrieken zijn ook niet altijd van toepassing op alle vergunde percelen. Ook kadastrale wijzigingen hebben vaak impact op de kwalificatie als risicogrond. Omgekeerd kunnen ook illegale/niet-vergunde activiteiten een verhoogd risico op bodemverontreiniging inhouden.

advies op maat GI

Procedure schrappen risicogrond

Als de eigenaar of exploitant van mening is dat een kadastraal perceel onterecht is opgenomen als risicogrond, kan hij de nodige bewijsstukken bezorgen aan de gemeente om het tegendeel aan te tonen. Indien dit voor de gemeente duidelijk is, kan de gemeente het perceel eenvoudig uit de Gemeentelijke Inventaris schrappen.

Indien de gemeente op basis van de beschikbare (administratieve) informatie geen uitspraak kan doen of het al dan niet om een risicoperceel gaat, kan een gemotiveerde verklaring mogelijk uitsluitsel geven. In de gemotiveerde verklaring moet de werkelijke situatie op het terrein worden uitgeklaard en deze moet worden opgesteld door een erkend bodemsaneringsdeskundige. In de gemotiveerde verklaring moet op basis van technische elementen een nauwkeurig beeld worden geschetst van de historiek van de activiteiten op het perceel. Uit de gemotiveerde verklaring moet duidelijk blijken dat er nooit risico-activiteiten hebben plaatsgevonden.

De gemeente heeft de inventarisplicht en is verantwoordelijk voor de volledigheid en de kwaliteit van de gemeentelijke inventaris. De gemeente dient altijd te bevestigen of alle beschikbare informatie is opgenomen in de gemotiveerde verklaring. Dit om te vermijden dat er nog gegevens ontbreken die het besluit van de gemotiveerde verklaring tegenspreken. De gemeente kan bijvoorbeeld beschikken over vaststellingen van (illegale/niet-vergunde) activiteiten op het perceel in kwestie.  Ook oudere vergunningen moeten opgenomen en beoordeeld worden in de gemotiveerde verklaring.

De gemotiveerde verklaring moet digitaal bezorgd worden aan de gemeente.

Bij akkoord kan de gemeente deze informatie zelf aanpassen via het webloket of laten aanpassen door de OVAM. De gemeente is niet aansprakelijk voor eventuele fouten indien zij een perceel verwijdert uit de gemeentelijke inventaris op basis van de gemotiveerde verklaring van een bodemsaneringsdeskundige. De gemeente kan via lokalebesturen@ovam.be steeds terecht bij de OVAM met specifieke vragen over de verschillende aspecten van de beoordeling.

OF

Enkel op expliciet verzoek van de gemeente zal de OVAM de inhoudelijke beoordeling op zich nemen. De OVAM neemt hierbij een standpunt in op basis van de informatie opgenomen in de gemotiveerde verklaring van de deskundige. De gemeente moet de verklaring bezorgen aan de OVAM, mét de bevestiging dat er geen tegenstrijdige informatie beschikbaar is. De gemotiveerde verklaring wordt behandeld binnen 30 kalenderdagen. Na akkoord past de OVAM deze informatie aan in het grondeninformatieregister en koppelt deze aanpassing terug met de gemeente.

beoordeling geen risicogrond

Indien er onduidelijkheden of onzekerheden blijven over het al dan niet aanwezig zijn van risico-activiteiten blijft de kwalificatie als risicogrond gelden en is een oriënterend bodemonderzoek vereist.

Bij actieve inrichtingen adviseren we om de vergunning te laten aanpassen aan de werkelijke situatie. Zo vermijden we dat in de toekomst foutieve informatie opnieuw wordt uitgewisseld.

Wat als een perceel is verwijderd uit de gemeentelijke inventaris?

De gegevens die door de gemeenten in het webloket worden ingevuld of opgeladen, worden rechtstreeks toegevoegd aan het grondeninformatieregister van de OVAM (GIR). Het bodemattest is een uittreksel van deze databank. Op het bodemattest wordt vermeld of het perceel een risicogrond is of dat er geen informatie beschikbaar is uit de gemeentelijke inventaris. De gemeente kan via de OVAM op de hoogte brengen dat het perceel in kwestie geschrapt is.

De notaris moet steeds alle beschikbare informatiebronnen raadplegen.

Inventarisbeheer door de gemeenten

Een goed beheer van de gemeentelijke inventaris vereist steeds de nodige aanvullingen, maar de digitalisering van de informatie uit de oudere milieuvergunningen betreft een éénmalige inspanning. Met een volledige gemeentelijke inventaris wordt bedoeld dat alle beschikbare archiefinformatie over risicogronden is uitgewisseld via het webloket. Nadat deze digitalisering is afgerond, moet de gemeente ervoor zorgen dat de uitgewisselde informatie voldoende actueel is. Enkel met een goed inventarisbeheer kunnen we garanderen dat de digitale informatie volledig blijft.

De OVAM werkt samen met het departement Omgeving aan een centrale uitwisseling van de informatie van risicogronden uit de omgevingsvergunningen. Deze centrale uitwisseling zal de informatie uit vergunningen vanaf 1 januari 2018 omvatten. In afwachting hiervan kan de gemeente de informatie actueel houden via het webloket.

Decretale basis

  • Bodemdecreet artikels 2,13°, 2,14°, 6 en 7
  • VLAREBO artikel 22 tot en met 26