Over LIFE NARMENA

Waterbodem?

Net zoals gewone bodem, kan ook het slib en de bodem van waterlopen, meren en beken vervuild zijn. Dit noemen we ‘waterbodems’. Om deze te reinigen bestaan er verschillende technieken. Met het LIFE-project NARMENA willen we enkele minder gekende –natuurgebaseerde- saneringstechnieken toepassen en het resultaat evalueren.

Grote Calie

Vervuiling met metalen

De drie demonstratieprojecten situeren zich in de valleien van de Grote Calie (Turnhout), van de Winterbeek (Scherpenheuvel – Zichem) en van de Grote Laak (Laakdal - Geel). Deze waterlopen stromen alle drie door Natura2000 gebied maar zijn mettertijd historisch vervuild door metalen.

Met de aanleg van fytoremediatievelden, waarbij geselecteerde planten helpen bij de sanering, en kunstmatige draslanden zorgen we ervoor dat de metalen niet meer bewegen in het oppervlaktewater, de bodem en het sediment. Zo beperken we de risico's voor het ecosysteem. Hoewel we in de eerste plaats aandacht hebben voor de afname van metalen zoals chroom en cadmium in de waterbodem, volgen we ook de nutriënten, zoals fosfor, op. We verwachten namelijk dat de toegepaste technieken ook leiden tot een vermindering van deze concentraties.  

LIFE NARMENA logo NL

 

nl/ en

 

Contact

Heb je een specifieke vraag of opmerking? Contacteer ons via: narmena@ovam.be

Sluit je aan bij onze LinkedIn-groep en blijf op de hoogte van de meest recente vorderingen.

 

 

Situering pilootproeven NARMENASanering, natuurbehoud en waterberging gaan hand in hand

In Vlaanderen is de helft van alle waterbodems verontreinigd met metalen. Ook al is de bron van die vervuiling vaak niet meer aanwezig, toch blijft er  verontreiniging vrijkomen in het water en op de oevers. Daardoor vormen deze waterlopen een risico voor nabijgelegen overstromingsgebieden die dan moeilijker kunnen dienen als buffer of waterretentiegebied. Door de vervuilde waterlopen te saneren, beschermen we dus ook de omliggende natuur. Bovendien kiezen we voor natuurgebaseerde saneringsmethoden. Hierin zetten we de natuur in om de verontreiniging aan te pakken.

 

In situ sanering en biobeschikbaarheid

Een belangrijk verschil met conventionele technieken is dat de natuurgebaseerde technieken ‘in situ’ gebeuren, of anders gezegd: op het terrein zelf. Hierdoor zijn er veel minder handelingen en drastische ingrepen nodig op de natuur en omgeving. De CO2-uitstoot is ook stukken lager of nagenoeg nul. Er moeten bijvoorbeeld geen tientallen vrachtwagens ingezet worden om uitgegraven grond of slib te transporteren.ecomodellering 1 NARMENA

In tegenstelling tot organische verontreiniging, kunnen metalen niet worden afgebroken. Daarom zorgen we ervoor dat de metalen worden gefixeerd en zich niet meer kunnen verplaatsen. Dit doen we door middel van natuurlijke processen. Zo houden bepaalde planten metalen vast in hun wortels of zetten ze metalen om naar een niet-schadelijke vorm.

Bij de monitoring van de proefprojecten maken we het onderscheid tussen totale en biobeschikbare concentraties. De metalen die niet meer mobiel zijn door het inzetten van natuurgebaseerde technieken zijn dus ook niet meer biobeschikbaar. Ze kunnen niet meer worden opgenomen door organismen.

 

Ecomodellering: we voorspellen de impact op flora en fauna

Tijdens de sanering onderzoeken we ook de impact van een reeks concentraties aan een bepaalde schadelijke stof op een organisme. We kijken meestal naar de kleine diertjes die voorkomen in het sediment, zoals een worm of een vlokreeft. Deze proeven gebeuren in het laboratorium. Met de resultaten kunnen we de impact op terrein gaan voorspellen. Zo kunnen we beleidsmakers helpen om drempelwaardes vast te leggen voor verontreinigende stoffen in waterbodems.

 

Vergelijking met gebruikelijke saneringstechnieken

De resultaten en ervaringen uit dit project zullen we vergelijken met die van de gebruikelijke saneringstechnieken. Hierbij houden we niet enkel rekening met de kosten en de effectiviteit, maar ook met het CO2-verbruik en de bijdrage aan ecosysteemdiensten. Door onze bevindingen en conclusies te delen, stimuleren we overheden en relevante economische sectoren om deze technieken vaker toe te passen in kwetsbare natuurgebieden.