Tributyltin (TBT) – voorlopige richtlijnen

  • 28 september 2020

De studie van 2015 voor het gebruik van tributyltin (TBT)-houdende bagger- en ruimingsspecie is opgemaakt met volgende doelstellingen:

  • berekening van humaantoxicologisch onderbouwde normen:
    • herziening van de invoergegegvens nodig voor het berekenen van de normen, omvattende de fysicochemische gegevens, de gegevens met betrekking tot overdracht naar plant en dier, de achtergrondblootstelling van de mens en de toxicologische referentiewaarden;
    • berekening van een nieuw normvoorstel voor de bestemmingstypes landbouw (II), wonen (III) en industrie (V) met het S-Risk model;
  • voorstel voor ecotoxicologisch onderbouwde normen:
    • opzoeking van door andere instanties afgeleide ecotoxicologisch onderbouwde normen;
    • voorstel voor normen voor de bestemmingstypes landbouw (II), wonen (III) en industrie (V) in lijn met de in Vlaanderen gehanteerde methodologie
  • integratie van de normvoorstellen en formulering van grenswaarden voor gebruik van TBT-houdende waterbodem:
    • integratie humaantoxicologisch en ecotoxicologisch onderbouwde waarden
    • berekening van grenswaarden (bovengrenzen) conform het gemeenschappelijk normenkader voor hergebruik van bodem, afvalstoffen en bijproducten.

Humaantoxicologische onderbouwing

De opzoeking van de gegevens leidde tot een beperkte wijziging in fysicochemische eigenschappen en in de parameters voor sorptie aan bodem en sediment.

Voor de transfer naar planten werden lagere bioconcentratiefactoren (verhouding concentratie in plant tot concentratie in bodem) gebruikt dan in de studie uit 2005. Op basis van informatie voorzien door het Federaal Voedselagentschap en een studie op garnalen werd een beduidend lagere achtergrondblootstelling bekomen in vergelijking met de studie uit 2005.

Opzoeking van toxicologische referentiewaarden leverde geen nieuwe waarden op afgeleid door internationale instanties. Wel werd een Deense waarde gevonden, die drie maal lager was dan de in 2005 gebruikte waarde (voorgesteld door het Europese Voedselagentschap in 2004). Deze waarden zijn gebaseerd op immunotoxiciteit.

Raadpleging van de wetenschappelijke literatuur toonde aan dat er sinds de publicatie van de waarde in 2004 veel aandacht besteed is aan de obesogeniteit van tributyltin. In dierproeven liggen de dosissen waarbij obesogeniteit wordt waargenomen ordes van grootte lager dan de dosis waarbij immunotoxiciteit optreedt. Omdat het buiten het bestek van de studie viel om een nieuwe toxicologische referentiewaarde af te leiden, maar de nieuwe informatie toch tot voorzichtigheid aanleiding geeft en wijst op de noodzaak tot herziening, werd een toxicologische referentiewaarde gehanteerd die 3 maal lager was dan in de studie uit 2005 (0,08 µg TBT/kg.d versus 0,25 µg TBT/kg.d).

De berekende waarden (mg TBT/kg ds), evenals de waarden uit 2005, zijn opgenomen in onderstaande tabel.

  II III V
      Va Vb
2 % OM

0,22 (TDI)*

0,065 (gras)**

0,39 (TDI)*

265 (TDI)*

60 (drinkwater)**

135 (TDI)*

60 (drinkwater)**

1 % OM

0,22 (TDI)*

0,065 (gras)**

 

208 (TDI)*

30 (drinkwater)**

125 (TDI)*

30 (drinkwater)**

normvoorstellen 2005
2 % OM   0,51 (TDI)*

725 (TDI)*

196 (drinkwater)**

300 (TDI)*

196 (drinkwater)**

*: bodemconcentratie waarbij de berekende blootstelling gelijk is aan de toxicologische referentiewaarde

**: bodemconcentratie waarbij de berekende concentratie in het vermelde milieucompartiment gelijk is aan de limiet in dat milieucompartiment

(type Va en Vb: lichte en zware industrie) 

Ecotoxicologische onderbouwing

Uit de raadpleging van de literatuur bleken twee recente bronnen beschikbaar waarin ecotoxicologische kwaliteitscriteria voor tributyltin in bodem werden afgeleid: a) een wetenschappelijke publicatie waarin experimenten werden uitgevoerd en kwaliteitscriteria werden afgeleid na integratie met literatuurdata volgens EU richtlijnen, en b) een rapport gepubliceerd door RIVM waarin de literatuurgegevens werden samengebracht en kwaliteitscriteria werden afgeleid voor het Nederlandse beleid. In dit laatste rapport werden niet alleen waarden afgeleid op basis van ‘direct contact’ (gegevens voor planten, invertebraten, micro-organismen), maar ook op basis van doorvergiftiging in de voedselketen (ecosysteem). Deze laatste waarden liggen beduidend lager dan de waarden voor direct contact.

Een probleem bij de selectie van voor Vlaanderen toepasselijke waarden wordt gevormd door de verschillen in toegepaste methodiek. Voor landbouw en wonen kon – volgens dezelfde berekeningswijze als in 2005 – een nieuwe waarde voorgesteld worden. Voor industrie stemden de methoden niet overeen en werd een tentatieve norm voorgesteld. Een meer diepgaande evaluatie van de ecotoxicologische gegevens is wenselijk zodat geactualiseerde normvoorstellen kunnen berekend worden voor de verschillende bestemmingstypes (inclusief landbouw en wonen). De Vlaamse methode houdt geen rekening met doorvergiftiging, die voor tributyltin, als ecotoxische stof, wel van belang kan zijn.

De tentatieve waarden voor ecotoxicologische normvoorstellen (mg TBT/kg ds) zijn opgenomen in onderstaande tabel. Volgens de Vlaamse methodiek worden de waarden zonder doorvergiftiging weerhouden.

  II/III V
zonder doorvergiftiging 0,100 13
met doorvergiftiging - 0,052
waarde 2005
zonder doorvergiftiging 0,3 -

-: geen geschikte waarde beschikbaar

Kwaliteitscriteria op basis van uitloging

Het afleiden van risicogebaseerde grenswaarden maakte geen deel uit van de studie. Ter ondersteuning van de te nemen beslissingen is getracht een tentatieve invulling te geven aan waarden, die tot doel hebben bodem en/of grondwater te beschermen bij toepassing van TBT-houdende waterbodem. Rekening houdend met een geometrisch gemiddelde Kd-waarde (verhouding concentratie vaste fase – poriewater) in de waterbodem en gebruik makend van de waarden in het rapport van 2005, worden indicatieve waarden bekomen.

In de studie werd een geometrisch gemiddelde Koc van 25118 l/kg (log Koc = 4,4) geselecteerd. Bij een organische stofgehalte in de bodem van 1 % komt dit op een Kd van 145 l/kg, bij een organische stofgehalte in de bodem van 2 % komt dit op een Kd van 290 l/kg .

Met een methodiek die afwijkt van deze ontwikkeld binnen het gemeenschappelijk normenkader en zonder aanpassing van de Kd van de ontvangende bodem aan de nieuwe waarde uit dit rapport, zou de limiet op basis van uitloging voor vrij gebruik boven grondwaterniveau rond de 0,35 mg TBT/kg ds liggen. Voor gebruik in contact met grondwater zou de limiet rond de 0,01 – 0,02 mg TBT/kg ds liggen.

Deze waarden zijn bekomen met een methodiek die afwijkt van deze ontwikkeld binnen het gemeenschappelijk normenkader. Een verdere afleiding volgens de laatste methodiek is bijgevolg nodig.

Integratie van de informatie

Voor parameters die niet opgenomen zijn in bijlage IV, V of VI van het VLAREBO, gaat de erkende bodemsaneringsdeskundige bij het evalueren van het analyseresultaat uit van eigen opgestelde toetsingswaarden. Deze toetsingswaarden worden afgeleid volgens:

  • ofwel de methodologie in het rapport ‘Afleiding en onderbouwing gemeenschappelijk normenkader voor grondstoffen en uitgegraven bodem in Vlaanderen’ (Broos et al., 2015). Dit document gaat in op de principes en methodes gehanteerd bij het berekenen van de risico-gebaseerde grenswaarden voor vrij gebruik als bodem en als bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product en geeft richtlijnen voor het afleiden van waarden voor niet-genormeerde parameters.
  • ofwel de methodologie in het document ‘Basisinformatie voor risico-evaluatie’ dat in verschillende delen beschikbaar is op de website van de OVAM.

Met de methodiek van het gemeenschappelijk onderbouwing van het normenkader voor hergebruik van materialen worden risicogebaseerde grenswaarden afgeleid via een transportmodel, dat de uitloging vanuit de toepassing berekent op basis van vastgelegde scenario’s (ophoging boven grondwater en opvulling in contact met grondwater) en rekening houdend met kwaliteitscriteria voor de ontvangende bodem en het grondwater. Via de vastgestelde methode worden 3 risicogebaseerde grenswaarden berekend. Vervolgens zijn een aantal randvoorwaarden (onder- en bovengrenzen) vastgelegd waarbinnen deze grenswaarden zich moeten situeren. Finaal werden – op basis van haalbaarheid – risicogebaseerde normvoorstellen geformuleerd. 

De methodiek van het gemeenschappelijk onderbouwing van het normenkader leidt voor TBT – zonder rekening te houden met de ondergrenzen en de haalbaarheid - tot de getallen in onderstaande tabel.

criterium waarde (mg TBT/kg ds)
bovengrens vrij gebruik 0,052*
bovengrens gebruik bouwstof, bodemkundig, vormvast product 13

tentatieve invulling voor uitloogcriterium

  • toepassing boven grondwater
~0,35

tentatieve invulling voor uitloogcriterium

  • in contact met grondwater
~0,01 - 0,02

Op basis van de toetsingswaarden en de stofeigenschappen van de niet-genormeerde parameter bepaalt de bodemsaneringsdeskundige de gebruiksvoorwaarden voor de bodemmaterialen. Deze gebruiksvoorwaarden worden opgenomen in het technisch verslag. Gelet op het feit dat voor deze tentatieve invulling voor TBT alleen voor de humaantoxicologische onderbouwing van de norm een diepgaande evaluatie werd uitgevoerd, en rekening houdend met de methodologische verschillen bij de selectie van de ecotoxicologische normvoorstellen en kwaliteitscriteria op basis van uitloging, is aanvullende verwerking van recente informatie en herberekening van grenswaarden met de methodiek van het gemeenschappelijk onderbouwing van het normenkader voor hergebruik van materialen aangeraden.